Het mosselpannetje

Een parel in het Duiveland,
een dorp, met
natte culturen,
de liefde voor de mossel
ligt in Bru.

In stilte ligt een meer,
vlakbij de Grevelingen,
een mossel kijkt erover uit,
de schelp staat open,
keer op keer.

De vissersvrouwen boeten netten,
de boten zijn weer terug
van zee,
de eenzaamheid is afgelopen,
de mannen zingen shanty’s mee.

De mosselbanken, vol
met de verlokking van het leven,
het zwarte goud,
weekdieren in het zout geweven.

Neptunus heeft zijn tenten opgezet,
de ankers gelicht,
de boordlichten ontstoken,
de zee onstuimig,
er worden weer wat mossels opgedoken.

Storm en ontij voor de mannen,
de vrouwen vol devotie aan de wal,
’s zondags wordt er niet gewassen,
wanneer de boten de haven binnenkomen,
worden de mosselen vereerd,
de kratten gewogen en verhandeld,
reeds honderd jaar en nooit verleerd.

Als iedereen van mosselen houdt,
gebakken, rauw of kort gekookt,
denkt allen aan de inwoners van Bru,
een mosselpan wordt snel geleegd,
ook in het hier en nu.


Vers: Ben F. Wesdijk




Vorige

Vingers door je haar

Volgende

Het denken

Facebook twitter Whatsapp